Pipo

Een clown

Pipo droeg een rode trui met gele dwarsstreepjes. De lijntjes kleurden speels bij de groene broek die om zijn heupen slobberde. Daarom had hij ook bretellen aan. Zijn handschoentjes waren wit en zijn schuiten zwart. Hij droeg van die smalle, met uitgerekte neuzen.

Op de dag des Prinsen van het Carnaval marcheerde hij over de kiezelpaden. Hij liet zich leiden door het trommelritme van een aan de begraafplaats voorbijtrekkende fanfare. Opmerkelijk dat hij zich in januari al liet zien. Andere jaren had hij zich louter tijdens de ‘Vasteloavend’ in het licht gewaagd. Ik besloot hem te volgen.

 

Spiegelbeeld

Bij een grafsteen van zwart marmer bleef hij staan. Snel verschool ik mij achter de dichtstbijzijnde eikenboom. Schichtig keek hij om zich heen. Links, rechts…..over zijn schouders. Omdat hij niemand zag, leek hij gerustgesteld. Hij tilde zijn rechter knie op en zette een grote pas voorwaarts. Enigszins verbaasd draaide hij zich weer om en staarde naar zijn achtergebleven been. Hij gebaarde met zijn hoofd dat het moest volgen, doch het been stond als aan de grond vastgenageld. Manend hief pipo het vingertje. Het been reageerde niet. Dus bukte hij zich, pakte het ongehoorzame lichaamsdeel stevig beet en begon eraan te trekken. Steeds harder. Totdat zijn voet los schoot. Even dacht ik dat hij zou omvallen, maar met wijd gespreide armen wist hij net het evenwicht te bewaren.

Door de schittering van de zonnestralen die op het graf neerdaalden, dook zijn spiegelbeeld op in het marmer. Hij was zeer verrast en nam zijn bolhoed af. De begroeting werd beantwoord, dat deed hem genoegen. Maar zo snel als hij een lach op zijn gezicht had getoverd, fronste hij zijn wenkbrauwen. Hij leunde ietsje verder naar voren om beter naar zichzelf te kunnen kijken. Wat was er mis? Hij begreep er niks van. Althans, zo leek het. Ineens stak hij een vingertje omhoog. Een ingeving zeker? Zijn handen graaiden in zijn broekzakken. Ah….schmink. Hij keek in de steen die voor hem tot spiegel verworden was en tuitte zijn lippen. Ze werden rood geschilderd. Het plaatje werd compleet gemaakt door het puntje van de neus aan te stippen. Ja. Zo hoorde het.

 

De man achter de clownslach

Ik kon mijn enthousiasme niet langer bedwingen. Ik moest hem spreken en dus stapte ik het kiezelpad op. ‘Pipo!’

Onmiddellijk deinsde hij achteruit.

‘Niet schrikken, Pipo. Ik ben het, Dyamos.’

Hij schuifelde nog een paar pasjes achteruit. Zijn grijze ogen staarden in de mijne. Ze leken extra groot door de zwarte strepen die onder de oogleden getekend waren.

Lachend stapte ik op hem af. ‘Een kort onderhoud, dat kan toch wel?’

Hij hief beide handen, bij wijze van teken dat ik halt moest houden.

‘Maar Pipo, waarom zo angstig? Mijn interesse voor het verhaal van de man achter de clownslach is groot. Je kunt het mij toch wel vertellen?’ Andermaal maakte ik aanstalten om naar hem toe te lopen.

Pipo strekte zijn rug en wierp me een boze blik toe. Met strakke arm wees hij naar de grond onder mijn voeten. Zijn manier om mij te gebieden daar te blijven waar ik stond.

‘Ik ben zeer verheugd met je bezoek,’ zei ik om hem gerust te stellen.

Daarmee werd de uitdrukking op zijn gezicht zachter. Een beetje verlegen ook. Alsof hij niet verwacht had dat ik het leuk vond om hem te zien. Hij schonk mij zijn glimlach en gebaarde me om naar de hemel op te kijken. Dat deed ik, maar ik zag enkel blauwe lucht. Voor Pipo echter, kwam er een surprise uit de lucht vallen. Maar liefst drie ingebeelde ballen. Hij prikte ze een voor een op. Een voor een ook gooide hij ze terug naar de hemel. Maar de hemel wilde ze niet hebben en wierp ze weer naar beneden. Twee vielen er op de grond, de derde wist hij in zijn hoed op te vangen. Ik volgde zijn fantasie tot aan de buiging.

‘Applaus,’ riep ik terwijl ik in mijn handen klapte. ‘Kom, vertel me nu maar wie je echt bent, hoe je heet.’

Knikkend stemde hij in en stapte op me af, maar verder dan een paar passen kwam hij niet. Amper onderweg botste hij tegen een zogenaamde wand op. Au…dat deed zeer. Hij greep naar zijn voorhoofd om de pijn weg te wrijven. Voorzichtig legde hij een hand tegen de muur. Toen de andere hand. Liet vervolgens los en schoof een stukje op naar rechts. Opnieuw tastte hij de muur af. Nee maar…. Er was geen doorkomen aan. Hij deed nog enkele verwoede pogingen maar het lukte hem echt niet om tot bij mij te geraken. Opnieuw maakte hij een diepe buiging.

Ik complimenteerde hem met het prachtige optreden. Maar nu was toch wel de tijd aangebroken voor een gesprek, vond ik. Echter, voordat ik iets kon zeggen, voerde Pipo alweer de volgende act op. Hij trok een touwtje uit zijn mond waar geen einde aan leek te komen. Dat maakte hem paniekerig. Eenmaal verlost van het onheil, probeerde hij een zakdoek kwijt te geraken die aan zijn handen kleefde.

‘Allemaal prachtig,’ zei ik toen de voorstelling was afgelopen. ‘Maar ik weet nog steeds niet wie je bent.’

Mijn woorden stemden Pipo verdrietig. Maar liefst drie tranen pinkte hij weg. Hij haalde zijn schouders op en keerde mij de rug toe. Hij droop af in de richting van zijn rustplaats. Ik vroeg hem terug te komen. Maar Pipo liet zijn hoofd hangen en liep door.

Berouw

Zo vrolijk was hij gekomen, zo verdrietig was hij gegaan. Waarom had ik doorgedouwd? In plaats van makkelijk had ik het moeilijker voor hem gemaakt om tijdens de Carnavalsdagen te herrijzen. Hopelijk kon hij de schaamte die hij met zich mee leek te sjouwen opzij zetten en durfde hij zich tijdens de ‘Vasteloavend’, net als andere jaren, tussen de vierende Maastrichtse zielen  te mengen. Waarom wilde hij niet spreken? Wilde hij vergeten wie hij was geweest?

Zuchtend liep ik over de paden terug naar het bankje waar ik neerstreek als ik in het duister tastte. Precies op het moment dat ik wilde plaatsnemen hoorde ik snelle voetstappen naderen. Ik draaide me om en zag Pipo. Armen in de lucht en een glimlach van oor tot oor. Zijn schoenen flapperden bij het rennen. Eenmaal gearriveerd moest hij even bijkomen. Met schele ogen keek hij mij aan en ademde gelijk een balkende ezel. Opnieuw moest ik hartelijk om hem lachen.

Pipo zette de toppen van zijn vingers tegen elkaar, zodanig dat de handen een hartje vormden. Hij legde het op het zijne. Daarop begon hij te dansen zoals alleen een clown kan dansen. Oogde hij gelukkig, zoals alleen een clown gelukkig kan zijn. Opeens zag ik het allemaal heel helder. Hij behoorde tot een groep zielen die gedurende het aardse leven niet helemaal konden zijn wie ze in hun diepste wezen waren. Tot een groep mensen die alleen tijdens het Carnaval een aspect van het eigenlijke zelf durfden te tonen. Achter een masker weliswaar, maar toch. Door voor mij op te treden wilde hij laten zien wie hij het liefst wilde zijn. In de ban van mijn nieuwsgier en enigszins achter de vodden gezeten door ongeduld had ik die boodschap totaal over het hoofd gezien.

‘Stop maar,’ zei ik. ‘Het is goed. Ik heb het begrepen.’

Nu voelde hij zich veilig genoeg om naar me toe te komen. Hij pakte mijn rechterhand, legde deze op zijn hart en keek me aan. Zijn ogen glinsterden door tranen maar tegelijkertijd straalden ze van vreugde toen hij fluisterde: ‘Pipo.’

‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Pipo.’

 

 

Alaaf ! Dyamos

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.