Waar een haas eieren legt…

Hij zat naast het mandje met rode eieren, zijn ene oor naar de hemel gespitst, het andere achterover geklapt. ‘Kon je ze alle finden?’

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik. ‘Hoeveel had je er verstopt?’

‘Vierunddertig natürlich.’

Ik fronste mijn wenkbrauwen. Hoezo natuurlijk? Ik keek in de kogelbruine ogen die mij onwetendheid verweten. ‘Ik ben niet van deze wereld,’ verontschuldigde ik me.

‘Ach zo. Je weisst niet alles.’ Zijn blik werd zachter. ‘Hoor, Eier mogen niet gegessen worden tijdens de vastenperiode. Daarom worden ze opgesammeld.’

‘Waarom heb je er dan geen veertig neergelegd?’

‘Veerzig? Het is toch nog geen Ostern? Wieveel Vastentagen zijn precies verstreken, Herr D?’

‘Na Carnaval? Andermaal telde ik in gedachten. ‘Veertig toch?’

‘Nein, jij hoort niet goed. Vastentagen. Dat zijn er vierunddertig. Am Zondag wordt van traditie her nicht gevast, versta je? Heb je überhaupt wel eens van Ostern gehoord?

Eeuwen lang had mijn ego gezwegen, maar vanochtend mengde het zich in de discussie voordat ik er erg in had. ‘Wat dacht je dan? Ik vertoef al tijden op deze begraafplaats. Dan zou ik van Pasen en de herrijzenis van Jezus Christus niet weten?’ Teneinde de haas af te troeven stipte ik het verhaal van de Germaanse godin Ostara aan. Ze troostte een meisje dat treurde om het lot van een vogel. Het beestje was er slecht aan toe. De godin veranderde het vogeltje in een vrolijk huppende haas en beloofde het kind dat hij één keer per jaar terug zou keren om gekleurde eieren te leggen.

‘Quatsch! Dat is ein fabel. Dat weiss toch iedereen.’

‘Een van de fab….’

‘Riep je mij?’ De hoge stem klonk jammerend, als uitgerekte noten gespeeld op een viool. Ik draaide me om en zag een goddelijke verschijning staan. Ze had een smal gezicht met ogen die lonkten gelijk een oceaan. Haar gouden haren vielen golvend over haar schouders.

‘Ostara?’

Ze knikte.

‘Je bent te früh,’ bitste de haas. ‘Herrijzen erst over zes Tagen.’

‘We praten over Pasen,’ zei ik lachend.

‘Ostern!’ verbeterde de langoor.

‘Het voorjaarsfeest?’ vroeg Ostara. ‘Dat treft, ik ben de Godin van de lente. Ik kan je alles vertellen.’ Ze kwam op me toelopen en keek in mijn gezicht. Ik sloeg mijn ogen neer en staarde  naar de hand die ze me reikte. Die was zo roze als ik had horen zeggen. De zachtheid van haar huid was zelfs te voelen, het leek wel fluweel. ‘De godin van de lente, Dyamos…… én van de vruchtbaarheid.’

‘Ja, ja….’ sneerde de haas tussen zijn tanden door, ‘en van de Zonnenaufgang.’

Ik liet haar hand los en ging op het hoekje van de grafsteen zitten. ‘Godin van de zonsopgang, zeg je. Weet je dat zeker? Was dat niet de Romeinse godin Aurora? Ook wel Godin van de dagenraad genoemd?  Ze wordt in de boeken omschreven als een prachtige jonge vrouw die de zon op haar vingertoppen naar de hemel bracht.’

Ostara tilde de rok van haar gele jurk een stukje van de grond en stapte in de richting van de haas. ‘Niet Aurora, dat deed ik.’

‘Stimmt. Dat deed sie.’

Bij het passeren wierp ze me een verbeten blik toe. Ze ging op de grond zitten, pakte de haas bij zijn nekvel en bracht hem naar haar schoot. De slanke vingers streelden zijn oren. ‘De zon komt op in het Oosten.’

‘Sage ik toch, Ostern.’

Met platte hand petste ze de haas op zijn kop. ‘Shhhttt…Ik ben aan het woord.’ Ze draaide even met haar ogen. ‘Als de zon de evenaar van zuid naar noord passeert, duurt de dag en nacht overal op aarde even lang. Dat vindt plaats tussen winterzonnewende en zomerzonnewende. Dan worden de dagen langer dan de nachten en doe ik het licht opstijgen en de ochtenden weer stralen.’

‘Hmm….En Aurora?’ probeerde ik opnieuw.

Ze haalde haar neus op. ‘Is dat belangrijk?’

Blijkbaar kibbelden de godinnen over de eer. Daarom leek het me beter om de gevoelige snaar niet meer aan te raken. ‘Waarom de gekleurde eieren?’

Ostara wipte haar knieën omhoog waardoor de haas van haar schoot rolde. ‘Bij het krieken van de ochtend komt een rood-gouden zon op, daarin zou je de vorm van een ei kunnen herkennen. En het ei staat symbool voor de schepping, zo je weet.’

‘Werden ze daarom rood geschilderd?’

‘Zo wordt gezegd.’ Even had ze een gedachte voor zichzelf. Toen: ‘Ik werd ook wel Eostre of Oestara genoemd. Namen die niet alleen naar het Oosten verwijzen, maar ook naar het vrouwelijke hormoon en naar de vruchtbaarheidscyclus. Heidenen verfden de eieren in de kleur van de bloeding.’

‘Om de vruchtbaarheid te eren,’ antwoordde ik.

Langoor zat inmiddels weer naast het mandje en gniffelde. ‘Unzin. Der Hase is het symbool van vruchtbaarheid en nieuw Leben.’ Hij ging op zijn achterpoten staan en bokste een paar maal met zijn voorpootjes tegen zijn witte ondervacht. ‘Als de lente komt rammelen de Hasen wie de konijnen.’

Daar konden we alledrie hartelijk om lachen. Ostara wijdde uit over mythen en symbolieken. Ik vertelde over de herrijzenis van Jezus Christus en Langoor meende dat de Engelsen de lente ‘spring‘ noemden omdat de hazen met name in de paringstijd heel hoog springen. Hij gaf een demonstratie. Ook schepte hij op over soortgenoten die over de maan waren gesprongen om het licht te vangen.

Vanochtend waren uit oude vertellingen nieuwe ontstaan, wist ik. Dat had een hoop vreugde gebracht. Sneller dan ik hoopte maakte Ostara aanstalten om te vertrekken. Ik krabbelde overend. ‘Wat zonde,’ meende ik. ‘Kun je ons niet wat langer gezelschap houden?’

‘Het was mij een waar genoegen, Dyamos, maar ik moet gaan.’ Ze knikte de haas gedag en toverde een wolk tevoorschijn die haar kon dragen. Nadat ze was neergestreken, woei ze naar de hemel.

De haas en ik volgden haar vlucht totdat we haar niet meer konden zien: ‘Alles schöne praatjes,’ zei hij. ‘Maar ze is een beetje durchelkaar en verdraait de Geschichten zoals ze wil dat ze sein. Ik zal je erzählen hoe het zit, Herr D.’

Ik nam weer plaats op het hoekje van de gedenksteen.

‘Wir Hasen verstoppen onszelf, niet die Eier. In weilanden en ausgestrekte akkers. Af en zu steken nur nog onze oren boven het gras aus. Wir komen naar buiten om te paren. Zeker in de lente. Dan zijn wir einfach niet meer zu houden omdat de drang nach moerhazen door ons bloed en lijf wirbelt. Wir springen en hopsen wie verrückt. Van links nach rechts, erop und darüber tot wir halleluja singen, versta je dat?’

Ik hief mijn hand. ‘De wetten der natuur zijn mij niet onbekend.’

‘Omdat wij Hasen niet oft genug halleluja singen kunnen, verstoppen wij uns tot we wieder mogen. In holen of legers zoals wij dat noemen. Als we dan weer opnieuw hinter de vrouwtjes hopsen – wie gezegd, wij kunnen alle Tagen als het moet – rennen we soms zo hard de Geruch van de liefde achterna, dat we na de Tad ons Heim niet meer finden kunnen. En omdat we in onze holen niet meer zurück keren, bouwen Vögelchen daar hun nesten. En zo komen die Eier in een hazenhol zurecht.’

Ik was het spoor naar de Bijbelse moraal inmiddels totaal bijster, maar in de lering van de natuur kon ik me volledig vinden. Een mooie conclusie om de zondagochtend mee af te sluiten.

Waar een haas eieren legt, is de rammelaar uitrammelen gegaan en worden weidekuikens geboren.

Ik wens u allen een zalig Paasfeest lieve mensen !

 

Dyamos

 

 

2 gedachten over “Waar een haas eieren legt…

  1. Gesprekken met een Duitse haas en een Germaanse Godin, laat dat maar aan D. over. Genoten weer. Jij ook fijne Pasen en ook voor jouw schepper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *