Geen rust voor Mathilde

‘Laot me met rust,’ roept Mathilde. Ze blijft onbeschroomd voor zich uit staren, wiebelend op een bankje. De laatste tijd spookt ze wel vaker rond op de Maastrichtse begraafplaats. Opmerkelijk, ze heeft hier geen graf. Aanvankelijk dacht ik dat ze kwam spookbuurten bij familieleden of vrinden, maar dat blijkt niet het geval. Mathilde is altijd alleen, ze ontloopt de dolende zielen. De diepe lijnen in haar gezicht verraden dat kommer en kwel haar pad hebben gekruist. Het haar is muisgrijs, en wat ooit een gesoigneerde knot geweest zal zijn, is verworden tot een uitgezakte pluizenbol. Tja, de glans is er wel van af. 

‘Nou, wat mot je?’ 

Met een glimlach tracht ik haar koude blik te ontdooien, maar ze staat op en gromt naar me als een wilde kat. Mathilde gaat gekleed in een vaalzwarte mantel die tot op de kuiten reikt met daaronder een bruine lange rok. Ze loopt op laarsjes waarvan de hakken zijn afgetrapt tot op de zolen. In de linker laars zit een gat, haar dikke teen steekt erdoor naar buiten. De nagel is afgebrokkeld, maar wat er nog van over is, is zwart als roet. Net als de nagels van haar vingers trouwens. 

‘Dag Mathilde,’ groet ik als ze weg wil lopen. 

De blauwe ogen die me aankijken schieten vuurpijltjes af. ‘Goddomme. Zelfs noa d’n dood krieg ik gene rust. Waarom ken je miene naam? Van die ouwe Jussen gehoord zeker, die hier verderop ligt te sloape. Ik dacht nondedju dat dah geouwehoer in d’n hemel over zou zijn. Of ben ik in de hel terecht gekomme?’

Ik knik. Ze heeft het juist, “die ouwe Jussen” heeft haar inderdaad herkend en mij verteld hoe ze heet. En niet alleen aan mij, maar aan eenieder die het oor te luisteren legde. Nu heerst er op de begraafplaats wat ongerustheid, omdat een smerige ziel gesignaleerd is die hier niet thuishoort, zo wordt gezegd. Of ik ze terstond weg wil sturen. Gelukkig zijn de meesten een andere mening toegedaan. Toch knabbelt dergelijke oproer altijd aan mijn gemoed. Ik hekel het buitensluiten van zielen om wie ze zijn. Eenieder heeft gelijk bestaansrecht. 

‘Ik heb je hier meerdere keren gezien,’ zeg ik, ‘voor zover ik weet heb je hier geen rustplaats, toch? Zoek je iemand? Misschien kan ik helpen.’

‘Mot ik perse iemand zoeken om hier te mogen rondzwerven? Dat is hier toch ’nne openbare begraafploats, of niet?’

‘Zeker,’ antwoord ik. ‘Zullen we even gaan zitten?’

Haar ogen groeien nog groter dan ze al zijn. ‘Zitten? Naast mij? Kiek maar uut, ik stink zeker zeven uren tigge de wind in.’ Toch ploft ze op het bankje neer en slaat haar armen strak in elkaar. Als ik naast haar plaatsneem, schuift ze naar het uiterste puntje op om zoveel mogelijk ruimte tussen ons in te laten. ‘Ik zoek niemand,’ zegt ze. ‘En er is ook niemand die mij zoekt.’

‘Wat verschaft mij dan het genoegen?’

‘Zeg! Proat ’s normaol mafkees.’ 

Haar directheid brengt me aan het lachen. ‘Dyamos.’ Ik steek mijn hand uit. ‘Aangenaam.’

Ze kijkt van mijn hand op naar mijn gezicht, maar blijft met in elkaar gevouwen armen zitten. Haar ogen worden wel wat zachter. ‘Joa zeg, t’is wel goed. Dat er iemand met me proat, dat ben ik zo niet gewend.’

‘Waar kom je vandaan?’

‘Dat ruuk je toch, van d’n voelnisbelt. Van waor kom jij?’

‘Dat is een lang verhaal. Maar kort gezegd zit het als volgt, ik ben niet van deze wereld.’ 

‘Of ik dat niet zie, ik ben heus gene simpele ziel.’

‘Ik weet niet hoe terug naar mijn wereld te geraken. Daarom ben ik neergestreken op deze begraafplaats, om anderen zielenrust te brengen en het aardse leven te beschouwen.’

‘Zielenrust? Miene ziel zal nooit gene rust hebben want ik ben nergens thuus. Ik heb het leve in d’n Maas geloate. Met m’nne zatte kop ben ik erin geduveld en niemand die mij gevonden heeft. Nou kan ik precies nergens nao toe.’

Ik schuif naar het puntje van de bank en draai een kwartslag naar de vrouw wier aardse leeftijd ik niet kan schatten. Ik heb het vermoeden dat de ellende meer jaren in haar gezicht heeft afgestreept dan in werkelijkheid het geval is. 

Ze kijkt wat bedenkelijk naar haar laarsjes, dan weer kijkt ze op naar mij. ‘Waarom mot je eigenlijk alles weten?’

‘Opdat jij je hart kunt luchten. Toe maar, het zal je goed doen.’

Ze legt de handen in haar schoot. ‘Omdat je zo aondringt, gek. Kiek, op mien zesde verongelukten mien ouders en werd ik in een internaot gegooid. Ik hoef natuurlijk niet uut te leggen dat doa niks goeds van ken komme.’

‘Waar was dat?’

‘Wat maakt dat nou uut?’ Ze haalt een paar keer adem. Dan: ‘Zo ‘nne begeleider, die vierde zien lusten op mij bot en daorom ben ik als zestienjaorige weggerend uut dat gesticht.’ 

Mathilde vertelt dat ze een man leerde kennen en al heel snel bij hem introk. Daarna bij een tweede en toen bij de derde. Bij die laatste verbleef ze vier jaar, maar van een trouwerij kwam het niet. Hij verruilde haar voor een ander. Ze leerde dat ze alleen zichzelf kon vertrouwen. Omdat ze geen geschikte betrekking kon vinden, besloot ze haar geld te verdienen met zoals ze het zelf noemt, “onriene arbeid.” De huur moest immers betaald. Een tijd lang lukte het haar om zo het hoofd boven water te houden. Maar toen ze het niet langer kon opbrengen om haar lichaam te verkopen, ging ze op zoek naar ander werk. 

‘Ik kwam niet aon d’n bak. Iedereen wist waor ik de centen mee had verdiend, niemand wilde me hebben. Ik kwam op de straot terecht. De zomers kon ik doorkommen, ik liep van stad tot stad. Maar de winters waren hard. Heel hard. Meestal kon ik net genoeg geld bijelkaor bedelen voor ‘nne fles wodka, om me warm te houwen, snap je. Verder leefde ik van restjes uut d’n voelnisbak.’

‘Het leven is niet lief voor je geweest, Mathilde. Dat spijt me voor je.’

‘Ach, ik ben er aon gewend geraokt. Ik had alleen gehoopt dat ’t nao d’n dood anders zou zien.’ Ze staat weer op en trekt haar jas recht. ‘Fijn ‘nne keer geproat te hebben.’

‘Waar ga je naar toe?’

‘Naor ‘nne begraafploats waor ze me wel willen hebben. Om eindelijk miene rust te vinden, ik ben moe.’ Ze trekt aan een draadje dat loszit bij een knoop van haar jas. Een paar tellen later rolt de knoop over de grond. Terwijl ze hem opraapt en in haar jaszak stopt vraagt ze: ‘Ben ik dan zo ‘nne slechte mens geweest? Dat ik gene rust mag vinden?’

‘Natuurlijk niet, Mathilde. Ik sta op en pak haar bij de schouders. ‘Blijf. Hier is plek genoeg.‘

‘Dat zeg jij! Die doodskoppen anders, die hier rondzweven in de nacht, die willen mij d’r niet bij hebben.’

‘Een enkeling die zo denkt wellicht, omdat de angst hen opjaagt. Maar de meesten zijn het met mij eens, hier is plek voor iedereen.’

Ze giechelt een beetje. ‘En waor mot zo ‘nne vaatdoek als ik dan liggen?’ 

‘Kom.’ Ik bied haar mijn arm aan en zij haakt in. Samen stappen we over de kiezelpaden en bekijken de grafstenen. We lezen de mooie opschriften die nabestaanden lieten griffen om hun dierbaren te eren. ‘Zie Mathilde, dit is mooi.’ Ik maak haar attent op een steen waarop enkel “Dag schoonheid,” staat geschreven. Die twee woorden vertellen een verhaal. ‘Onder iedere steen ligt een mens mét een verhaal begraven. Familieleden en vrinden zeggen het voort.’ 

‘Och wat. Ik ben overal uutgekotst. Wie mot mien verhaol nou vertellen?’

‘Mag ik het doen? Ik zou me vereerd voelen.’ Voor het eerst zie ik een blosje op haar wangen. Ze kijkt naar de grond, friemelt wat aan een haarplukje en haalt de schouders op. Dan stoot ik haar aan en wijs naar een witte steen zonder opschrift. ‘Dat lijkt me nou een mooi plekje voor jou.’ 

Mathilde houdt halt. ‘Wat!? Voor mij? ‘Nne witte steen? Haar ogen worden vochtig. Als dit een grapke is dan…dan…’

‘Het is geen grap, ik meen het.’ 

Ze antwoordt met een brede grijns en toont mij een rijtje van zeven gele tanden, drie boven en vier onder. Het is de mooiste lach die ik in tijden heb gezien. En het grijze haar begint zowaar te glanzen. 

‘En bring je mij dan ook ‘nne bloem als ik daar lig?’

‘Wel meer dan eens.’

‘Is het echt woar? Hoef ik nooit niet meer te zwerven? Oh…’ Ze slaat de handen voor de mond. ‘Ik ken het niet geloven. Mag ik eindelijk slaope zonder dat d’r ene mij wegjoagt?’

Ik neem haar bij de arm en loop met haar naar de gedenksteen. Zodra we er zijn graveren zonnestralen haar naam in het marmer. Met beide handen pakt ze de mijne beet. ‘Danke Dya… dinges, danke.’

‘Het is goed,’ zeg ik, ‘ga maar slapen.’ Ik maak me van haar los, zet een paar passen achteruit en stap terug het kiezelpad op. Voordat ik van haar wegloop, kijk ik haar nog een keer diep in de ogen. ‘Rust zacht Mathilde.’

Met genoegen verblijvend,

Dyamos

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.