Gefabuleerd door Dyamos: Held op sokken. Zysrius de vos wil graag een held zijn en verlaat als jongvolwassene zijn nest in de hoop dat zijn wens in vervulling gaat. Maar ja, een heldenstatus, wellicht makkelijker bedacht dan verworven?

Held op sokken

Niet van deze Wereld | Verhalenblog | Dyamos
Categorie:

Fabels

Datum:

29 november 2020

Held op sokken

Niet van deze Wereld | Verhalenblog | Dyamos
Categorie:

Fabels

Datum:

29 november 2020

Held op sokken

Niet van deze Wereld | Verhalenblog | Dyamos
Categorie:

Fabels

Datum:

29 november 2020

Van een held geschreven

Zyrius heeft altijd al een held willen zijn en vandaag is de dag waarop hij daad bij wens gaat voegen. Vossig paradeert hij over paden en weiden; overtuigd van de aanname dat heel de wereld op zijn heldendaden wacht.
Zijn vacht, met de winter in het verschiet dikker dan in hartje zomer, is oranjebruin tot aan de onderbenen, vandaaruit kleuren zijn poten zwart. Dat is geestig, niet? Alsof hij sokken heeft aangetrokken. Zijn witte snuit oogt slank en hoffelijk, de oren daarentegen zijn puntig en groot. Met zijn dikke ruige pluimstaart bepaalt hij looprichting. En vanochtend heeft de vos zich pluimstaartig naar het Limburgse Savelsbos laten dirigeren.

Plotseling klinkt er geschreeuw. Zyrius spitst zijn oren. Opnieuw een schelle kreet. Ah hoor, het komt van daarginder, bij die beukenboom vandaan. Zyrius weet, hier verkeert een gedierte in nood! Opschieten held, anders is het te laat. Sluipend beweegt hij zich tussen de bomen, nu en dan verschuilt hij zich achter een struik om tussen de takjes te loeren. Wat als er een vijand in het spel is? Een vijand groot en sterk? In zijn gedachten weerklinken de woorden van zijn vader:
‘Wij vossen Zyrius, worden als held niet geboren. ‘Onze soort redt zich niet met kracht, onze soort haalt slinkse streken uit.’
‘Maar vader…’
‘Wij vechten voor ons eigen hachje door anderdiers blinde vlekken op te zoeken. Waar rekening wordt gehouden met onze komst, daar tonen wij ons niet; daar waar we niet worden verwacht, slaan we keihard toe.’
‘Lafheid is niet iets om trots op te zijn vader!’ Hij schrok van de woorden die hem over de lippen glipten. Onmiddellijk sloeg hij zijn ogen neer en staarde naar de grond.
Zijn vader likte zijn snoet. ‘Sluwheid past ons vossen, het is onze manier van overleven.’
‘Maar de ene vos is toch de andere niet, vader. Ik wil zo graag bewijzen dat vossen niet alleen lelijke streken op hun kompas hebben; dat het anders kan, begrijpt u?’
Zijn vader glimlachte. ‘Ga dan maar mijn jong. Ga en leer van het leven dat je moet accepteren wie je geboren bent.’

Zyrius schudt de herinnering van zich af en kijkt om zich heen. Is het wel veilig om het bospad te betreden? Neen, niet, want aan de overkant duikt een dikke das op.
‘Falco!’ roept de das. ‘Falco, waar ben je dan toch?’
‘Meles! Ben jij dat? Help, help.’
De das loopt in de richting van de hulproep. Dan ziet Zyrius hoe hij vlak onder de beukenboom een gat induikt. Een tijdje later krabbelt hij er weer uit. Op zijn rug ligt een torenvalk, een vleugel gespreid, zijn pootjes in de lucht gestoken.
‘Ach Meles,’ jammert de vogel, ‘mijn vleugel is gebroken. Honderdentien maal dank dat je mijn leven hebt gered, je bent een echte held.’
Hè, Vosverduveld nog aan toe, denkt Zyrius, had ik die valk een helpende poot durven toesteken dan was ik de held geweest. Met de staart tussen de benen wandelt hij naar de weide die aan de bosrand grenst. Aldaar snoept hij van een struik met bessen.

‘Waarom wil je een held zijn?’ vroeg zijn moeder.
‘Om de wereld mooier te maken mama.’
Haar ogen straalden ernstig. ‘Weet je zeker dat het je niet om eigen roem te doen is?’
Zijn rossige vacht kleurde rossiger. ‘Wie zijn nek uitsteekt mag zich toch wel koesteren in jubel, dat is de verdienste van risico lopen.’
Zijn moeder schudde haar hoofd. ‘Echte helden doen het goede zonder daar iets voor terug te willen.’

Aan de rand van het Savelsbos

Luid gebrul onderbreekt het gedachtengesprek met zijn moeder.
‘Je gaat eraan!’
‘Wat moet je hier? Dit is mijn territorium!’
Zyrius, die bij de eerste hertenroep in het gras is gedoken, beziet hoe twee strijders de geweien op elkaar richten. Territorium? De vos rolt met zijn ogen, als hij het niet dacht, een stompzinnige discussie over grenzen. Hij komt overend en stapt voswaardig op de herten af. ‘Mijne heren, mag ik u tot rust bedaren.’
Twee geweien draaien zijn kant op. Bij het zien van de vos ontvlammen vier hertenogen. De een blaast, de ander strijkt een hoef over het gras. Zyrius moet ervan slikken. Zijn maag vol bessen buitelt en hij wankelt op zijn poten. Maar dit is niet het moment om van de sokken te gaan. Hij springt op en snelt ervandoor. Even later weet hij zich op de hielen gezeten door denderende hoeven.

Terug in het bos kruist plots een haas zijn pad. Hij rent Zyrius bijna van de sokken.
‘Kijk je uit?’
‘Excuses vos, ik ben op de vlucht.’
‘Ik ook.’
‘Voor wie?’ vraagt de rammelaar al hazenhollend.
‘Twee herten. En jij?’
‘Jagers!’
‘Jagers?!’ Paf! Paf! klinkt het achter hem. ‘Vossemejemig!’ Zyrius kijkt om en ziet ook de twee herten voor de kogels op de vlucht slaan. ‘Kom haas, ga met mij mee, ik weet een plekje waar we ons kunnen versteken.’ Even later puffen ze samen uit in het diepe gat waar de valk zijn vleugel brak.
‘Oef,’ snuft de haas, ‘dat was op het nippertje.’
Wanneer alle gevaar geweken is kruipt Zyrius uit de schuilplaats, maar voor de haas is de kuil te diep gegraven om er eigenpotig uit te kunnen. De vos bijt hem in het nekvel en helpt hem het bospad op.
‘Oh!’ roept de haas, ‘Je hebt mijn leven gered. Je bent een echte held.’
De amberogen beginnen te glimmen. ‘Een held?’
‘Jazeker! Kom mee, daar moet op gehaast worden.’

De prijs van roem

Later die middag wordt Zyrius bejubeld door een groep hazen. Lachend hupt de rammelaar op een boomstronk die als voetstuk dient. ‘Beste medehazen. Vanochtend wilde ik uitrammelen gaan, maar op mijn weg naar de moerhazen rende ik een groep jagers tegemoet. Had Zyrius mij niet de weg naar een schuilplaats gewezen, dan had ik het verhaal niet kunnen navertellen. Daarom beste medehazen, vraag ik jullie mijn redder in nood te eren als een ware held.’
Vossig stapt Zyrius naar voren. De hazen juichen, allemaal willen ze hem aanraken. ‘Rustig, rustig…’ zegt hij. ‘Vanavond neem ik tijd voor jullie.’ Met een gracieuze beweging stapt hij op het voetstuk en draait in de rondte om zich te laten aanschouwen.
‘Vanaf nu,’ zo spreekt de opperhaas, ‘ben jij een der onzen. Ons voedsel is jouw voedsel, onze schuilplaats is jouw schuilplaats.’
‘Dank, dank,’ antwoordt Zyrius en kijkt in de lachende kogeloogjes van zijn kameraden.
‘Onze vijand is nu ook jouw vijand, Zyrius. Vanaf heden ben jij onze beschermheer.’
‘Hoezee! Hoezee!’ hazen de hazen.
Zyrius spitst de oren. Wat bedoelt de opperhaas te zeggen?
‘Waar wij gaan of staan zul jij ons voorgaan om uit te zoeken of onze kust veilig is. Jij mag de vluchtroutes uitstip…’
‘Wacht even haas, waarom zou ik dat doen?’
‘Je wilt toch onze held worden?’
‘Dat ben ik toch al?’
‘Ik lees de twijfel van je snuit. Dat hoeft niet Zyrius, je kunt het.’

‘Één heldendaad maakt je nog geen held voor het leven,’ had zijn moeder gezegd.
‘Waarom niet?’
‘Eenmaal de heldenstatus verdiend, zul je heel hard moeten werken om de reputatie hoog te houden. De verwachtingen van hen die je roemen zullen alsmaar groter groeien. Er komt een dag waarop de prijs die je moet betalen om geprezen te worden te hoog is.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Ga dan maar mijn jong. Ga en leer van het leven dat wanneer je roem nastreeft omwille van roem, je zult vergeten wie je bent geboren.’

Van een heldendaad?

Zyrius overschouwt de hazenmenigte. ‘Akkoord,’ zegt hij, ‘Ik doe het.’
Andermaal hoezeeën de hazen.
‘Laat ik meteen daad bij woord voegen en op verkenning gaan, opdat jullie zeker weten dat dit een veilige schuilplaats is.’
De rammelaar trekt een hazenlip. ‘Dan haas ik met je mee.’
Zyrius kijkt in de wantrouwende ogen van zijn vriend. ‘Wie het eerst is,’ zegt hij en onmiddellijk zet hij er flink de sokken in.
De haas kan het tempo van de vos makkelijk bijhouden. ‘Wie het eerst waar is?’
‘In jagersgebied ’ antwoordt de vos hijgend. ‘We moeten weten waar ze bijeenkomen.’

Terug op het bospad houdt Zyrius plotseling halt. ‘Vossemejemig,’ fluistert hij, ‘volgens mij hoor ik de jagers.’
De haas snuft schichtig om zich heen. ‘Ik hoor niks.’
‘Jawel. Daarginder! Haast is geboden Rammelaar, spoed je naar de beukenboom. Nu!’ Eenmaal bij de schuilplek aangekomen, duikt Zyrius het gat in.
Even later ploft de haas naast hem neer. ‘Oef,’ snuft hij, ‘dat was op het nippertje.’
‘Wat je zegt, op het nippertje. Voor even dacht ik dat mij een hazenleven te wachten stond.’
‘Pardon?’
‘Ik had het liever anders gezien,’ mompelt de vos terwijl hij uit het gat klimt, ‘maar hier scheiden onze paden.’
‘Wat bedoel je te zeggen?’
‘Dat je het haasje bent.’
‘Wat?! Nee. Je laat me hier toch niet zitten? Zyrius!.’
‘Het spijt me vriend, maar het is jouw gevang of mijn gevang.’
‘Wat een laffe rotstreek!’

Met pijn in zijn vossenhart laat Zyrius de haas achter. De gebeurtenissen overpeinzend beseft hij dat eer en roem hem vandaag bij toeval in de schoot zijn geworpen, toen hij zich angsthazig uit de poten maakte voor twee herten. Daartoe had hij zich nog laten bejubelen ook. Gelukkig was hij tot bezinnen gekomen, anders was hij wellicht tot een product van zijn hazenomgeving verworden, dan zou hij op den duur vergeten wie hij geboren is.
Toch is Zyrius niet helemaal ontevreden. Hij weet deze dag als held af te sluiten en die van morgen heldhaftig tegemoet te treden. Maar ja, wel op sokken.

Was geschreven,

Dyamos…✍🏼

Niet van deze Wereld | Quote

Categorieën

Niet van deze Wereld | verhalenblog | Dyamos

Archieven

Verhalenblog | Niet van deze Wereld | Dyamos

Menu

Menu