Jannie Jammerd

Jannie Jammerd, wiens aardse leven maar liefst zevenentachtig jaren telde, zit, zoals zo vaak de laatste tijd, op haar knietjes naast haar gedenksteen onkruid te wieden met een handschoffeltje. Onderwijl bespiedt ze me vanuit haar ooghoeken. ‘Jij bent toch die engerd die niet van onze wereld is? Dat spookfiguur dat over deze begraafplaats ronddwaalt en met de doden praatjes maakt om wijsheid te brengen? Dat lijkt me een hoop mosterd na de maaltijd.’

‘Wijsheid brengen? Ach, ik zie het meer als omzien naar zielen. Ik doe mijn best om hen de levenservaringen anders te laten beschouwen dan ze gewoon waren. Dat leidt veelal tot mooie conversaties en nieuwe conclusies. En verder mag ik hun verhalen graag romantiseren tot nieuwe vertellingen, opdat ik ze kan delen met lezers, begrijpt u.’

‘Dat zullen mooie verhalen zijn. Wat voor spannends kun je nou over de doden opschrijven?’

‘Jannie Jammerd is de naam, toch? Aangenaam, ik ben Dyamos.’ Ik zet een paar passen in haar richting om onze kennismaking met een handdruk te bekrachtigen, maar Jannie blijft bezig met de aarde en haar plantjes. Hoe gaat het?’ probeer ik.

‘Ach, hoe zou het gaan? Zijn gangetje, hè.’

‘Ik zie dat u bosviooltjes aan het verzorgen bent. U houdt van paarse bloemetjes?’ 

‘Helemaal niet, de zaadjes zijn hier komen aanwaaien. Maar ik laat ze staan, dan heb ik tenminste wat vrolijkheid om me heen. Als ik het van familiebezoek moet hebben, groeit hier helemaal niks.’

‘Een attentie van de natuur, dat is leuk.’

‘Wat je leuk noemt, ik had liever rozen gekregen.’

Ik probeer nogmaals oogcontact te leggen, maar het dametje wil van pauze nemen niet weten. ‘Misschien kan ik iets voor u betekenen, er rust hier vast wel iemand die een stekje wil afstaan. Zal ik eens informeren?’

‘Nee, dat heeft geen zin. Ik slaap hier midden op het terrein, een roos moet kunnen klimmen.’

‘Ik kan wel een rekje voor u maken, dan kan de roos daarlangs…’

‘Praat me niet van rekjes, straks zit ik hier elke maand te schuren en te schilderen.’

‘Een rozenstruikje in een bloempot misschien? Om de steen te decoreren?’

Ze stopt met schoffelen en gaat rechtop zitten. Twee blauwe ogen priemen in mijn gezicht, daarop bewegen de pruillippen. ‘En dan? Elke dag mijn steen oppoetsen zeker, een pot laat kringen achter, Dyamos. Ik lig hier om te rusten, weet je nog?’

In gedachten blader ik snel door mijn kaartenbakje met nieuwe voorstellen. Ah… ‘Weet u Jannie, een eindje verderop staan een paar mooie struiken die straks winterrozen laten bloeien, Helleborussen zogeheten, ze zitten vol met knoppen. Zullen we even gaan kijken?’

‘Lopen?’

‘Een klein stukje maar. Wandelen verruimt de blik.’

Ze proest waardoor haar lubberwangen schommelen. ‘Zeg spook, had mij mijn blik helpen verruimen toen ik nog leefde, dan had ik er tenminste iets aan gehad.’

‘Daar raakt u een punt, dat heb ik verzuimd. Mijn excuses.’ 

‘Excuses, excuses. Excuses komen altijd te laat.’

‘Dat is de functie van excuses maken,’ antwoord ik. ‘Achteraf rechtzetten wat verzuimd of onbedoeld verkeerd gelopen is; opdat tegenpartijen weer tot elkander komen.’

Ze zwaait met haar schoffeltje. ‘Is toch totaal zinloos. Alsof er dan geen kwaad is geschied. Ik zal jou ‘s vertellen wat het met excuses maken is. Het wordt als instrument ingezet, als excuus om te kunnen doen wat ongepast is. Snap je dat, Dyamos?’

‘Niet helemaal. Wanneer gebeurt dat dan?’

‘Veel te vaak.’

‘U heeft ongetwijfeld voorbeelden.’

‘Ach man, zo veel. Als ik die allemaal moet gaan opnoemen, zitten we hier volgende week nog.’

‘Ik heb tijd, wellicht kunt u uw hart luchten.’

Haar hand wappert mijn woorden weg. ‘Oprakelen van negatieve herinneringen maakt me knorrig.’

‘Oei, dat moeten we niet hebben.’

Dan draait Jannie zich weer van mij af en begint met het gladstrijken van de aarde. ‘We zijn klaar toch?’ 

‘Als u het zegt.’

‘Nee wacht, nog een dingetje. Als je nog ‘s komt spoken, kom dan niet met lege handen. Breng wat gezelligheid mee, een kop thee of zo.’

‘O, dat is zonde. Ik heb u geen drankje aangeboden. Excu… De volgende keer Jannie, zal ik eraan denken.’

‘Wel een tijdje laten doortrekken hoor, ik moet dat slappe slootwater niet.’

‘Akkoord. Geen slootwater.’ 

Ze kijkt schuin omhoog, even dreigt er een glimlach op haar gezicht te verschijnen, maar na amper twee tellen vergaat de vrolijkheid weer. ‘Er valt hier weinig lol te beleven, Dyamos. Wat dat betreft is het in het hiernamaals niet anders dan op aarde. Erg jammer, ik had me er meer van voorgesteld.’

‘Wat u zegt, Jannie Jammerd, dat is allemaal heel erg jammer.’

Was geschreven,

Dyamos

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.