Ontmoeting in Coronatijd: omgaan met veranderingen.

Foto Conique Kerkhoffs

De laatste ontmoeting met mijn schrijfkompaan, beschreven voor Niet-van-deze-Wereld, dateert van december 2018. Dat is best lang geleden vind ik. Daarom ben ik bijzonder verheugd dat ze mij vandaag een bezoek brengt om te praten over omgaan met veranderingen in Corona-tijd.

Gemberthee in Neo-Gotische kapel

Zonnestralen schijnwerpen tussen de boomkruinen over de graven, een briesje doet de blaadjes wervelen en de meneren onder de vogels flirten de vrouwtjes een fluit-serenade toe. Op mijn weg naar de toegangspoort van de begraafplaats knarsen de steentjes onder mijn laarzen. Ah zie, mijn schrijfkompaan staat al te wachten.

‘Goedemorgen,’ zeg ik terwijl ik de poort opendoe. ‘Heeft het zonnetje je om het hof geleid?’

‘Dat kun je wel zeggen,’ antwoordt ze terwijl ze haar handen warm wrijft. ‘Ik heb verse Gemberthee meegenomen, dat helpt wel tegen de kou. Lust je dat?’

‘Nooit eerder geproefd, maar ik laat me graag verrassen zo je weet.’ Daarop wandelen we samen naar de Neo-Gotische grafkapel die een centrale plek op de begraafplaats inneemt. De kapel heeft een achtzijdig tentdak, het ingangsportiek daarentegen heeft een zadeldak met leien. In het portiek heb ik vanochtend vroeg twee houten stoelen neergezet. Anita wil weten waarom we niet op ‘ons’ bankje gaan zitten.

‘Ik dacht er hangen deze dagen zo veel veranderingen in de lucht, laten we met die winden meewaaien,’ antwoord ik.

Ze haalt haar schouders op en neemt plaats. Haar tas belandt met een plof tussen haar voeten. Ze bukt voorover om er een roestvrijstalen thermoskan uit te halen. Als ze de dop eraf draait kruipen mistige draadjes uit de kan. ‘Gemberthee versterkt ook het immuunsysteem,’ zegt ze lachend. ‘Dat kunnen we nu extra goed gebruiken.’

Ik ga naast haar zitten en neem het kopje dat ze me aanreikt aan. Nadat ik de eerste hitte ervan af geblazen heb nip ik voorzichtig. ‘Hmm… Pittig smaakje.’

‘Het zijn ook pittige tijden,’ antwoordt ze. ‘Alles is anders.’

‘Zoveel is zeker, kun je met de veranderingen omgaan?’

‘Omgaan met die veranderingen? Ik denk er vooral veel over na. Zoals zoveel mensen die niet weten hoe het verder moet. Word het ooit nog zoals het was? Wanneer kunnen we elkaar weer vasthouden? Leren we ervan of schiet iedereen straks weer in oude gewoonten? Al die mensen die alleen moeten sterven gaan door een hel, kan dat niet anders? Hoe lang kan de zorg de druk nog aan en hoeveel ondernemers gaan die crisis overleven? Denken, denken en nog eens denken. Over vraagstukken waar niemand nog een helder antwoord op heeft. En als ik nadenk over het feit dat ik zoveel nadenk, kom ik tot de conclusie dat ik steeds dezelfde gedachten heb. Elke dag opnieuw, opnieuw en opnieuw. Daar schiet ik natuurlijk helemaal niks mee op want al die gedachten leiden tot lanterfanten. En dat lanterfanten leidt weer tot een slecht gevoel over mezelf. Ik had me zo voorgenomen om die Coronatijd nuttig te besteden.’Tja,’ zegt ze, ‘en verder gaat het wel.’

Gedachtencirkel

‘Dat is een sombere cirkel om in rond te draaien. Hoe ben je daarin verzeild geraakt?’

‘Angst vrees ik. Voor controleverlies? Ik weet het niet precies, ik kan het niet pakken.’ Ze schuift een stukje naar voren. ‘Er is gevraagd om zoveel mogelijk thuis te blijven, dus dat doe ik braaf. En ik denk ook dat het goed is om dat te doen. Nu en dan ga ik naar buiten. Maar buiten dreigt onheil en omdat ik niet weet vanuit welke richting dat gevaar op me afstevent ben ik constant op mijn hoede. Dat virus kan namelijk overal zijn.’

‘Maar er is toch een anderhalve-meter-afstand-maatregel afgekondigd?’

‘Klopt,’ antwoordt ze. ‘En daar houd ik me ook keurig aan, zoals ik me altijd keurig netjes aan voorgeschreven regels houd.’ Even draaien haar ogen naar de hemel. ‘Dat weet je toch wel, ik steek nog geen zebrapad over als daar een stoplicht op rood staat, zelfs niet als ik op niemand sta te wachten; als er in de verste verte geen auto of fietser te bespeuren is, blijft deze dame wachten totdat de zoemer gaat en het onderste mannetje groen kleurt. Maar ja…’ met vlakke hand slaat ze op de armleuning van haar stoel, ‘dat doet niet iedereen hè. Van alle kanten zie ik mensen mijn kant op komen. Je kunt nog zo voorzichtig zijn en je op allerlei manieren wapenen tegen dat virus, maar tegen opdringerige mensen of tegen mensen die het probleem niet serieus nemen ben je kansloos. Ik voel mij ongemakkelijk door het gedrag van anderen. Laatst nog in de supermarkt, glipt er ineens een stuk onverlaat achter me door om snel iets van de schappen te grissen. Dat soort situaties maakt dat ik constant het gevoel heb mijn anderhalve meter te moeten verdedigen. Gek word ik ervan.’

‘Dat laat zich aanhoren alsof je voortdurend gericht bent op andermans bewegingen en acties. Je voelt je onveilig omdat je niet kunt voorzien welke richting mensen kiezen. Ik denk dat daarmee een oude angst is aangeraakt. Een confrontatie met oude angst is uitdagend, wellicht zoek je daarom afleiding in je denken en kom je niet tot het volbrengen van je taken. Jouw handelen wordt gestuurd door patronen waarmee je meer angst voor jezelf creëert dan nodig.’

‘Dat weet ik, daarom ben ik ook hier.’ Ze leunt naar voren en kijkt me doordringend aan. ‘Dyamos… Help.’

Hier ga ik even goed recht voor zitten. ‘Even zien. Iemand passeert je op ongepaste afstand, wat doe je?’

‘Ze zucht diep. ‘Soms zeg ik er iets van, maar meestal werp ik de persoon in kwestie alleen een blik toe. Een blik die hopelijk maakt dat de ander terugdeinst.’

‘En aan die blik geeft de ander gehoor? Hij of zij deinst terug?’

‘Nee D, natuurlijk doet die ander dat niet. De persoon in kwestie is op strooptocht en haalt uit de schappen wat hij of zij nodig heeft nog voordat ik het mijne eruit heb kunnen halen.’ Ze leunt terug naar achteren. ‘Drie keer raden wie als eerste een paar passen achteruit zet. Ik zei de gek.’ Ze zet haar theekopje op de grond en vouwt haar armen stevig in elkaar. Strak kijkt ze me aan. ‘En nou ga jij mij zeker vertellen dat ik mijn grenzen beter moet bewaken.’

‘Onze gedachten zijn eensgezind.’

‘Mooi. En nu?’

‘Eigenlijk is die anderhalve-meter-maatregel een uitstekend instrument voor jou om mee te oefenen. Telkens als je naar buiten gaat eis je anderhalve meter ruimte voor jezelf op. Opeisen Anita, dat betekent dus dat je er niet van moet uitgaan dat een ander je die ruimte gunt. Als iemand jouw anderhalve meter niet respecteert dan moet je hem of haar onherroepelijk een halt toeroepen.’

Ze wendt haar blik af en kijkt naar een hommel die zich in een klokje van een paarse Campanula verstopt. Even later vliegt hij weer tevoorschijn en gaat op zoek naar de volgende lekkernij. Dan hervat ze het gesprek. ‘Wat kom ik precies te weten als ik daarmee oefen?’

‘Naar verloop van tijd ontdek je waar en wanneer jij toestaat dat jouw grenzen worden overschreden. Welke angst zit achter vermijdingsgedrag? Als je weet waar die angst vandaan komt, kun je hem uitdagen en het hoofd bieden.’

Anita vertelt dat ze die angst in het verleden al in de ogen heeft gekeken, ze dacht er klaar mee te zijn. Daarop vertel ik haar dat ze waarschijnlijk de wortel in de grond heeft laten zitten. Nu de wereld is uitgezet krijgt ze een herkansing. Dat is een boodschap van de stilte. De stilte spreekt tot iedereen maar zij die hun toevlucht zoeken in afleiding kunnen de boodschap niet horen. Anita heeft de stem van de stilte wel gehoord maar het gezegde nog niet geïnterpreteerd. Haar wordt verteld dat ze haar blik op angst mag veranderen. ‘Let wel,’ zeg ik, ‘niet alle grenzen zijn zo duidelijk afgebakend als de anderhalve-meter-grens.’

‘Wat bedoel je?’

Nee is nee, of toch ja?

‘Een mens verlegt zijn grens op vele manieren richting andermans wensen. Denk maar eens over het volgende: Hoeveel van jouw overtuigende nee’s werden in het verleden toch ja’s?’

‘Wat!? Wacht even hoor.’ Ze neemt een paar minuten om mijn woorden te laten bezinken. Dan: ‘Potverdorie D, dat is een goeie. Ik roep heel vaak nee als ik iets niet wil, vervolgens sla ik aan het mijmeren. Hoe valt mijn nee bij die ander, gaat hij of zij me die nee kwalijk nemen? Vaak kom ik zelf op een verzoek terug om er alsnog een ja van te maken. Dat is inderdaad een patroon.’

‘Handelen uit naam van de automatische piloot maakt dat je veelal dingen bezigt die je niet wil doen. Beter kies je bewust opdat jouw ja ook echt een ja kan zijn. Dat is toch veel fijner dan een akkoord sluiten dat eigenlijk gebaseerd is op een nee.’

‘Ja. Dat is zeker fijner,’ zegt ze terwijl ze opstaat. Ze stopt de thermosfles in de tas en pakt het lege kopje uit mijn hand.’

‘Ga je alweer naar huis?’

‘Nee hoor, maar ik zit hier al de hele ochtend te vernikkelen. Zullen we naar ons bankje?’

Onmiddellijk sta ik op. ‘Had dat maar gezegd.’

‘Ik heb het gedacht D. Gedacht, gedacht en nog ‘s gedacht. Ik hoopte dat die wens van mijn gezicht te lezen was.’

‘Dat is ook ruimte innemen hè, kenbaar maken dat je je niet prettig voelt.’

‘Dat wil ik maar geleerd hebben,’ antwoordt ze lachend.

Samen wandelen we over het middenpad. Onze voetstappen kraken in het grint, de wind blaast in onze haren en de vogeltjes zingen nog steeds hun hoogste zondagslied. Van afstand zien we het bankje in de zon lonken, ons vertrouwde stekje. Niet alles hoeft veranderd.

 

Let goed op uzelf mensen, 

Dyamos..✍🏼

Dyamos

Elke laatste zondag
van de maand:

Niet van deze Wereld,

dat u het weet

Logo Dyamos - Niet van deze Wereld - KV Zussen

Ah... grapt de zon, vandaag ben ik het zonnetje in ieders thuis

Logo Dyamos - Niet van deze Wereld - KV Zussen

Hartelijke boodschappen raken hart

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.